Wij zijn initiator en trotse partner van Erfgoed Tilburg
In 2025 ontving Stadsmuseum Tilburg een bijzonder schilderij van Pieter-Marijn van der Velden (Eygelshoven 1958) die de half gesloopte Heilig Hartkerk verbeeldde in 1975. Deze kerk stond op de hoek van de Noordhoekring en de Spoorlaan, tegen een achtergrond van de opdoemende flatgebouwen aan de Hart van Brabantlaan. 'Het olieverfschilderij van 110 bij 70 cm werd vervaardigd in de stijl van de magisch realist Carel Willink,' zo vertelt Pieter-Marijn van der Velden.
'Het is geschilderd door mij als 17‑jarige leerling van het St. Pauluslyceum. Het kwam tot stand in een creatief klimaat dat leerlingen stimuleerde. Dankzij de inzet van muziekleraar en dirigent Jan Jansen, die ons uitnodigde bij repetities van grote operauitvoeringen in Tilburg, van tekenleraar Jan Asselbergs, die ons uitnodigde om onze grenzen te verleggen en grote schilderingen te maken, en van tekenleraar Mart Jansen, die zich over onze buitenschoolse tekenclub ontfermde en ons begeleidde op excursies naar grote musea in de Randstad. Naar aanleiding van een manifestatie van het St. Pauluslyceum, waar onder andere het schilderij van de Noordhoekse kerk te zien was, werden Jacq Palinckx, Huub Bogaers, Tom Goris, Rik van der Velden en ik als middelbare scholieren in 1977 uitgenodigd voor een expositie van ons werk in de foyer van de Stadsschouwburg Tilburg. Maandenlang – de expositie werd wegens succes verlengd – waanden we ons net zo groot als onze professionele kunstbroeders. Het was een onverwachte trede op de creatieve ladder van mijn levenspad. Na de middelbare school ben ik creativiteit gaan studeren aan de Tekenacademie, werd ik docent aan de creatieve school St. Lucas in Boxtel en startte ik een bureau voor creatieve communicatie in de Kazerne in Tilburg.'
'Het schilderij van de sloop van de Noordhoekse kerk kent nog meer achtergronden: een verhaal uit de Noordhoek van mijn vader, de klanken van Tilburg, de bouwplaats waar ik met mijn vriendjes speelde en hoe jammer ik het vond dat het vertrouwde plaats moest maken voor het nieuwe. Dat de Noordhoekse kerk voor mij daarna nóg een rol zou krijgen, wist ik toen nog niet. Mijn grootvader bouwde het ouderlijk huis van mijn vader in de Mozartstraat, de huidige Acaciastraat. Dat huis staat er nog steeds en keek destijds uit op de Noordhoekse kerk. Mijn opa was docent biologie op het St. Odulphuslyceum en staat bij een hele generatie Tilburgers bekend als ‘Bartje’, omdat hij zijn redeneringen vaak afsloot met de woorden “volgens Bartjes”. Zijn huis was het eerste huis in Tilburg met centrale verwarming. Studenten bouwkunde van de HTS kwamen er op excursie om te zien hoe het huis verwarmd werd vanuit één centrale kachel. Dat was toen iets nieuws.'
Over de Noordhoekse kerk herinnert Van der Velden zich een verhaal waar in De Noordhoek altijd gniffelend over gesproken werd. De Limburgse architect Pierre Cuypers had in zijn ontwerp voor de Noordhoekse kerk een heel grote toren opgenomen. Het verhaal vertelt dat bouwpastoor George van Zinnicq Bergmann niet genoeg geld bij elkaar kreeg om de kerk op dat punt af te bouwen. Die hoge toren kwam er niet. Dit verhaal eindigt met een onverwachte catharsis: één deel van het evangelie werd in de Noordhoekse kerk nooit voorgelezen. Dat was het evangelie over een toren die tot aan de hemel moest reiken, maar die er desondanks niet kwam. Dit verhaal kreeg later in Goirle nog een onverwachte Limburgse wending.
Vanaf 1965 woonde familie Van der Velden aan de noordrand van Goirle en daar hoorde Pieter-Marijn op zondagochtend de klokken van alle kerken van Tilburg tegelijkertijd luiden: de uitnodiging aan de parochianen voor de kerkgang. Dat gebeier is voor hem een onuitwisbaar geluid dat bij de rijke katholieke erfenis van Tilburg hoort. Van der Velden vond het magisch en kon er echt van genieten. Begin jaren zeventig nam de intensiteit van dit geluid geleidelijk af vanwege het slopen van de Tilburgse kerken. Dat vond hij een groot verlies. Van der Velden: 'Toen ik ging kijken naar de sloop van de Noordhoekse kerk zag ik tot mijn ontsteltenis dat een zorgvuldig opgebouwd heiligdom met de sloopkogel werd afgebroken. Wat eigenlijk een ontluisterend gezicht was, bleek ook een verrassend schouwspel. Er ontstond een krachtig contrast tussen de grauwe bakstenen buitenkant van de kerk en de kleurige muurschilderingen aan de binnenkant. Dat fascineerde me. De volgende dag ging ik terug naar het sloopterrein en legde dit visuele spektakel vast met een serie foto’s. Dat werd de onderlegger voor mijn schilderij.'
Het andere onderwerp van mijn schilderij was de nieuwbouw die ik als kleuter meemaakte. Wij woonden in het begin van de jaren zestig aan de Ringbaan West, schuin tegenover het huidige kantoor van CZ. Tilburg groeide in westelijke richting vanaf de Bomenbuurt tot aan de huidige universiteit. Langs de Hart van Brabantlaan werden meerdere flatgebouwen uit de grond gestampt. De bouwplaatsen daarvan waren onze speelplekken. Het nieuwe Tilburg combineerde ik in mijn schilderij met de sloop van de Noordhoekse kerk. Met als historische achtergrond wat de toenmalige burgemeester Cees Becht als ‘de sloper’ voor elkaar probeerde te krijgen: ‘dood aan het oude, leve het nieuwe’. Mijn schilderij van de Noordhoekse kerk tegen een achtergrond van saaie grijze flatgebouwen had vooral een creatieve visuele insteek, maar was tegelijk een proteststatement. De muurschilderingen aan de binnenkant van de kerk waren eigenlijk niet zo kleurig als ik ze geschilderd heb. Als je goed kijkt, zie je dat ik een mensfiguur met een bloedend hart op de binnenmuren in het midden van de kerk heb geschilderd. Noem het een puberaal protest. Veel meer gedachte zat er niet achter.
De sloop van de Noordhoekse kerk was een ontluisterend gezicht, maar het bleek ook een verrassend schouwspel!
- Pieter-Marijn van der VeldenHet verhaal van de onafgemaakte toren van de Noordhoekse kerk kreeg voor mij nog een aardig staartje. Het was sloper Van Hees opgevallen dat de kerk op stevige hardstenen zuilen stond. Die waren immers het fundament voor een hele grote toren. Toen de burgemeester van Goirle, Ton van den Wildenberg, daarvan hoorde, was hij meteen geïnteresseerd. Van den Wildenberg was naast sportief ook creatief en belangstellend in kunst. Op zijn initiatief haalde de gemeente Goirle de hardstenen zuilen op in Tilburg. Het voorstel om met deze zuilen een fontein te bouwen voor het nieuwe winkelcentrum De Hovel werd afgekeurd door de commissie Kunst en Cultuur. Daar was ik sinds mijn achttiende al lid van en bij het vervolg van dit verhaal zat ik mooi op de eerste rij. Ik maakte mee dat de zuilen als beeldhouwmateriaal werden geruild met de Limburgse beeldhouwer Arthur Spronken tegen drie prachtige bronzen beelden. Een klein bronzen beeld van een paard staat in het gemeentehuis, een groter bronzen paard staat in de Kloostertuin en een groot bronzen beeld, de schrijdende vrouw, gemaakt door een leerling van Spronken, is geplaatst op de Frankische Driehoek. Naast deze drie heb ik als vicevoorzitter van de gemeentelijke commissie voor Kunst & Cultuur de onthulling van veel kunstwerken in meerdere wijken van Goirle mee mogen maken. Elke keer als ik daar langs fiets, komen de verhalen daarover weer naar boven. Zo krijgt het fundament van de nooit gebouwde toren van de Noordhoekse kerk in Goirle toch nog glans.